Mist

Schrijven is therapie, en dus is het raar dat ik het al even niet meer heb gedaan. Het geeft me energie en de kans om mijn gedachten te ordenen. Ik praat veel, maar ik zeg weinig zei me ooit iemand. En misschien is dat wel waar. Misschien vind ik het gemakkelijker om mijn gedachten te schrijven in plaats van de zeggen. Het feit dat ik – oh help perimenopauze 😉 – snel emotioneel word, helpt natuurlijk ook niet. Dus zit ik hier op woensdagavond aan mijn keukentafel, om de gedachten die me al een aantal weken bezighouden neer te pennen. Omdat ik het gevoel heb dat wij allemaal soms teveel in onze eigen silo wonen en omdat verhalen delen mij verbinding geeft met anderen. Want je bent niet alleen.

Begin januari krijg ik telefoon, dat mama (die al even in het rusthuis zit) niet goed is geworden. Dat ze graag de ambulance willen bellen maar dat ze zelf niet naar het ziekenhuis wil. Mama heeft Alzheimer (voor diegenen die dat nog niet hebben gelezen) en dus stellen ze die vraag aan papa. Hij vraagt mij om het rusthuis te bellen en te zien hoe we dit aanpakken. Niet twijfelen en een ritje met de 100 richting spoed. Eens daar aangekomen blijkt haar hart niet naar behoren te functioneren en moet ze een nachtje op de hartbewaking blijven. De dag erna krijgen we telefoon, dat ze een pacemaker nodig heeft. Op onze vraag of dat een goed idee is gezien haar pathologieën, is het antwoord van de cardioloog ja. Maar het is vrijdag, dus die dag kan het niet meer wegens de drukte. Dan is het weekend, ook niet mogelijk. Op maandag gaan we blijkbaar staken met zijn allen – ja jouw hart valt maar beter niet in panne op een stakingsdag – en op dinsdag zijn er geen artsen die deze procedure doen. Er zijn ongeveer 12 cardiologen op de dienst werkzaam, maar mijn moeder moet wel een week wachten op haar operatie.

Omdat wij toch met wat vragen zitten, en mama al meermaals heeft aangegeven dat ze dit leven in stilte in haar slaap zou willen verlaten, gaan we in gesprek met een cardioloog. Alles wordt goed doorsproken en wij hebben het gevoel dat we op dezelfde golflengte zitten met de artsen. Iedereen is gerust in de komende dagen. Tot woensdag. Ik word wakker met een onbehagelijk gevoel. Het gevoel dat je weet dat er iets is, nog voor je je ogen hebt opengedaan. En ik weet gewoon, als ik mijn gsm nu oppak dan gaat het niet goed zijn. En zo is het, ik neem mijn gsm en zie 3 gemiste oproepen van het ziekenhuis iets na 6u. In een waas gaat alles aan ons voorbij: dat ik direct moet komen, dat de verpleging niet kan zeggen waarom, dat ik mijn zussen en vader mag opbellen. Maar dat moet ik vooral zelf beslissen, zegt ze. Compleet in de war, en 2 huilende tieners achterlatend thuis, vlieg ik in de mist naar het ziekenhuis. Dat moment is zo eenzaam en tegelijk ook niet. Bij het inrijden van de ondergrondse parking bedenk ik mij “Ik ben niet klaar om mijn moeder te verliezen”. En gelukkig, dat was het niet. Ze leefde nog. Hoe: daar konden ze ons geen antwoord op geven. Flatline en dus gereanimeerd, paar keer. Al zijn daar blijkbaar interpretaties voor medisch gezien. Een hartstilstand is niet zomaar een hartstilstand. Feit was, mama werd gereanimeerd en niemand die kon zeggen wat de uitkomst zou zijn.

“De kunst om goed te leven en de kunst om goed te sterven is dezelfde.” Griekse filosoof Epicurus

En dus zijn we nu een aantal weken en een pacemaker verder. Mama leeft. Gelukkig ze leeft. Of nee, ze leeft. En ze mag dus verder aftakelen, weer een aantal dingen die niet meer tot haar leven behoren. Ze slaapt ineens veel. Neemt 14 verschillende pillen per dag, sommigen meerdere keren. Gelukkig kent ze ons nog, en ze lacht af en toe. Maar haar mooi in slaap vertrek, dat was niet voor nu. Ik blijf achter met een heel dubbel gevoel. Hoe lang wil je iemand in leven houden? Wat is een kwaliteitsvol leven eigenlijk? En als je zelf niet meer wilsbekwaam bent, wie kan daar dan in godsnaam over beslissen. Het is aan mijn lijf blijven plakken. Want ik ben niet klaar om haar af te geven. Maar als ik haar zo zie, dan kan ik alleen maar bedenken dat dat vooral voor ons is, en niet voor haar. Denk ik, want zeker ben ik van niets en ik ga van het ene uiteinde naar het andere. Medisch gezien is er zoveel vooruitgang de voorbije jaren en daar kunnen we alleen maar dankbaar voor zijn. Alleen blijf ik oprecht met de vraag: wanneer is genoeg genoeg? En wanneer is een mens baas over eigen leven?

Ondertussen genieten we natuurlijk van elk moment. Als ze niet moe is en “Ah Carolientje” kan zeggen aan telefoon. Als ze met papa een kriek kan drinken. Als ze haar kinderen en kleinkinderen kan zien. Ze is er nog, al is het soms heel stil. Ze is er nog, wij zijn er nog. Leef en wacht niet tot morgen.❤️

Plaats een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑